Dental Tribune Netherlands

Experiment mondzorg van start: drie voorzitters delen hun visies en verwachtingen

By Kees Adolfsen
September 02, 2020

Op 1 juli is het experiment Taakherschikking in de mondzorg officieel gestart. Vanaf nu kunnen ‘geregistreerd-mondhygiënisten’ onafhankelijk van de aanwijzing van de tandarts beginnende gaatjes behandelen, een verdoving toedienen en röntgenfoto’s maken. Hier is een aantal samenwerkingsafspraken over gemaakt. Hoe kijken de voorzitters van de drie betrokken beroepsverenigingen aan tegen de start en wat verwachten ze van de toekomst?

Voor Jan Willem Vaartjes, voorzitter van de Associatie Nederlandse Tandartsen (ANT), hebben de samenwerkingsafspraken een belangrijk deel van zijn zorgen rond het experiment kunnen wegnemen. Zo moeten zorgplannen voor volwassenen nog steeds door de tandarts worden opgesteld, tenzij de patiënt anders wenst. Ook voor de beoordeling van röntgenfoto’s ligt er een heldere afspraak: “Als de geregistreerd-mondhygiënist een solo-opname maakt, moet die binnen een maand door een tandarts beoordeeld worden. Dat vinden wij belangrijk, omdat het niet altijd makkelijk is het volledige beeld te diagnosticeren. Je wilt voorkomen dat bijvoorbeeld een afwijking van het wortelkanaal of een tumor gemist wordt. Die expertise zit niet in de opleiding mondzorgkunde. Dat is ook niet vreemd: ook tandartsen volgen hiervoor meer aanvullende scholing in de masterfase. Het zou ook kunnen dat er juist te veel wordt geïndiceerd, wat leidt tot overbehandeling en stijgende kosten. Een extra beoordeling door de tandarts kan dat voorkomen.”

Sluitende spoedregeling
Vaartjes is ook te spreken over de afspraken rond 18-minners: de mondhygiënist moet ervoor zorgen dat jeugdige patiënten vóór hun 18e een aantal keer een tandarts hebben bezocht, die breder kan toetsen. “Daarnaast zijn er afspraken over spoedgevallen. Het is niet altijd makkelijk voor vrije vestigingen, maar voor patiënten uiteraard heel belangrijk, om ook voor overdag een sluitende spoedregeling op te tuigen. Zelfstandige mondhygiënisten kunnen dit regelen met nabije tandartspraktijken – en die hoeven daar niet kosteloos aan mee te werken.”

Tijdens de onderhandelingen dreigde de ANT geen stageplekken meer beschikbaar te stellen voor mondhygiënisten. Zo’n dreigement moet kunnen op het moment dat je ruzie maakt, vindt Vaartjes: “Maar nu er goede afspraken liggen, roepen wij daar niet meer toe op. Overigens is het aantal stageplekken voor het boren al jaren een probleem, dat zich niet makkelijk laat oplossen. Waar het natuurlijk om gaat, is dat boren iets is dat je heel vaak moet doen. We zouden het daarom graag als keuzevak willen zien. Wij prefereren een opleiding met duidelijke richtingen boven een curriculum dat heel breed is en van alles een beetje aanbiedt. Het zou goed zijn dat alleen die mondhygiënisten gaan boren die daar echt belangstelling voor en affiniteit mee hebben.”

Toegevoegde waarde?
Nu het experiment gestart is, is de vraag welke opstelling de ANT kiest. Vaartjes omschrijft die als neutraal, maar kritisch: “We vinden het van belang dat het experiment gaat voldoen aan de gestelde eisen. Het mag niet een poppenkast worden met al van tevoren bepaalde uitkomsten. Daarom is het goed dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) regelmatig gaat controleren. En ook is al een aantal voortgangsgesprekken geagendeerd, waar we gezamenlijk bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) aan tafel zitten. Zo wordt de voortgang zorgvuldig gecheckt. Overigens hebben wij ook vragen bij de representativiteit van de beroepsgroep. Er doen nu zo’n tweehonderd mondhygiënisten mee, ongetwijfeld een zeer gemotiveerde voorhoede. Maar gaat dit straks echt een toegevoegde waarde hebben binnen de sector? Los van die bedenkingen gaan we natuurlijk samenwerken, nu dat is afgesproken. Om versnippering in de zorg, en in de dossiervorming bijvoorbeeld, tegen te gaan. Om wellicht veel vanzelfsprekender foto’s uit te uitwisselen. En om binnen teams optimale mondzorg te leveren.”

Manon van Splunter, voorzitter van NVM-mondhygiënisten, is duidelijk over het experiment: “Dit voelt als een logische stap. Ik geloof er oprecht in dat dit goed is voor de Nederlandse mondzorg. Ik denk dat tandartsen en mondhygiënisten elkaars expertise beter kunnen gaan gebruiken en dat we de totaal beschikbare professionele capaciteit in onze sector beter gaan benutten. Dit experiment gaat zinvolle ervaring opleveren en ons inzicht verschaffen in aannames die mogelijk onterecht waren.”
Een van die aannames is dat tandarts en mondhygiënist minder zouden gaan samenwerken, dat het experiment het teamconcept onderuit zou halen. Van Splunter ziet daar geen reden voor: “Binnen teams is er al veel afstemming tussen tandarts en mondhygiënist. Die afstemming en samenwerking zijn belangrijk, ongeacht of de tandarts en mondhygiënist op één locatie werken of onder een ‘virtueel dak’. En let wel, de mondhygiënist was al eindverantwoordelijk voor verdoven en het behandelen van primaire caviteiten – de tandarts dient zich er enkel van te vergewissen dat de mondhygiënist bevoegd en bekwaam is. We zijn vanaf 2006 al functioneel zelfstandig bevoegd. Daarbij zijn mondhygiënisten met een eigen praktijk voornamelijk gericht op parodontologie en preventie. Ik verwacht helemaal niet dat zij nu opeens de volledige zorg willen overnemen en veel gaan boren. Wel is het belangrijk voor deze groep dat ze zelfstandig röntgenfoto’s kunnen maken en anesthesie kunnen toepassen. Dat zorgt voor meer continuïteit in de behandelingen én een bredere inzet van mondhygiënisten. Uiteraard profiteert ook de patiënt daarvan.”

Expertise onbenut
Van Splunter is niet 100% gelukkig met de feitelijke uitwerking waarvoor de minister gekozen heeft. Dat er gedurende het experiment twee categorieën mondhygiënisten zijn, vindt ze niet ideaal: “Er is vanaf nu een kleine groep BIG-geregistreerde mondhygiënisten, de zogenoemde geregistreerd-mondhygiënist, die de komende tijd langzaam zal groeien. Zij moeten de vierjarige opleiding Mondzorgkunde voltooid hebben én een certificaat Toezichthoudend Medewerker Stralingsbescherming bezitten. Daarmee blijft veel waardevolle expertise onbenut van de collega’s die hun opleiding vóór 2002 hebben gevolgd. De overheid had hun professionele ervaring beter kunnen benutten, door in te zetten op de bevoegd- en bekwaamheid van mondhygiënisten per handeling. Nu moet je als geregistreerd-mondhygiënist het boren upgraden, terwijl je dat mogelijk helemaal niet wilt gaan doen. Het had efficiënter gekund, al heb ik na alle discussies wel begrip voor het besluit van de minister.”

Scroll down
advertisement

Gezamenlijke inzet
Als BIG-geregistreerde mondhygiënist val je automatisch onder het medisch tuchtrecht. Volgens Van Splunter een zeer positieve ontwikkeling: “Als je zelfstandig zorg verleent, moet je daar verantwoordelijk voor kunnen worden gehouden. Het is goed dat wij ons als beroepsgroep toetsbaar opstellen. Bovendien is er voor de patiënt een extra route voor een klacht.”
Belangrijk is natuurlijk wat dit experiment moet opleveren en wat je ervan mag verwachten. Van Splunter somt gemakkelijk een aantal voordelen op: “Een groter bereik van de mondzorg. De mondzorg wordt meer op preventie ingericht en de geregistreerd-mondhygiënist kan bij afwezigheid van de tandarts zaken waarnemen. Natuurlijk vormen taakdelegatie en -herschikking niet iets dat we morgen voor elkaar hebben. Het is een proces dat tijd kost en waarin we van twee kanten de intentie moeten hebben elkaar te vinden, met de gezamenlijke inzet voor een goed resultaat. Via monitoring gaan we ontdekken of met de zelfstandige bevoegdheid geen problemen optreden in de kwaliteit van de mondzorg en de veiligheid van de patiënt. Blijven die uit, dan verwacht ik op termijn het definitieve besluit van de opname van mondhygiënisten in artikel 3 van de Wet BIG.”

Wolter Brands, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (KNMT), kijkt met op z’n minst gemengde gevoelens naar de start van het experiment, mede vanwege het discutabele besluitvormingsproces: “Naar de objectieve argumenten van vele kanten is gewoon niet geluisterd. Ook het advies van de Raad van State heeft de minister deels naast zich neergelegd. De raad deelde ons bezwaar dat mondhygiënisten op bepaalde punten te weinig praktijkervaring hebben. In plaats daarvan werden twee beroepsgroepen tegen elkaar uitgespeeld, die vaak al jaren in teamverband samenwerken. En dit alles met kennelijk een hoger doel, namelijk de zeer kleine groep mondhygiënisten die bijvoorbeeld zelfstandig wil boren de mogelijkheid te geven om dit te doen.”

Positieve impuls
Niettemin is Brands veel milder gestemd dan voorheen, omdat hij ook een viertal positieve ontwikkelingen ziet: “Op het ministerie van VWS zijn wisselingen gekomen in de personen met wie wij te maken hebben. Inmiddels werken we weer heel behoorlijk samen. Aan die samenwerking heeft bovendien de coronacrisis een extra positieve impuls gegeven. Ten derde heeft corona er ook voor gezorgd dat de beroepsverenigingen in de Mondzorgalliantie hebben laten zien uitstekend samen te kunnen optrekken: ons uit elkaar spelen is op dit gebied gelukkig niet gelukt. En ten vierde diende mevrouw Van de Berg een motie in de Tweede Kamer in, waarin onder meer werd geëist dat de opvang van pijnklachten goed geregeld werd. Daarin hebben we als NVM-mondhygiënisten, ANT en KNMT gezamenlijk een heel aardig compromis bereikt.”

Verwarrend voor patiënt
Minister Bruins noemde steeds de kwaliteit van de samenwerking tussen tandartsen en mondhygiënisten een belangrijk toetscriterium voor het experiment. Maar Brands beoordeelt dat heel anders: “In die samenwerking zie ik geen groot probleem. En zoals gezegd: dat doen we al jaren. Het grote probleem ligt momenteel op het bordje van de patiënt. Een principe van de Wet BIG is dat patiënten uit de titel van de zorgverlener diens kunde en bekwaamheid kunnen afleiden. Maar als ik goed kijk naar de regels, kan de patiënt sinds 1 juli te maken krijgen met zeven categorieën mondhygiënisten: 2-, 3- en 4-jarig opgeleiden, en 4-jarig geregistreerden. Daarnaast kan een geregistreerd-mondhygiënist ook nog eens delegeren naar een 2-, 3-, of 4-jarig opgeleide collega. Eerdere evaluaties van de Wet BIG hebben laten zien dat mondhygiënisten zelf in die wirwar niet eens precies weten wat hun bevoegdheden zijn. Voor de nietsvermoedende patiënt is dit natuurlijk ongelofelijk verwarrend. Daarbij geldt dat zelfs de mondhygiënist met de meest uitgebreide bevoegdheid alleen een primaire caviteit mag prepareren, maar dat nergens aangegeven staat wat dat eigenlijk precies is. Blijkt een gaatje iets groter dan beginnend, dan hoort de patiënt ineens dat zijn mondhygiënist er niks meer mee mag en moet hij alsnog naar de tandarts.”

Slecht idee
Brands vindt wel degelijk dat in de huidige samenwerkingsafspraken aan veel bezwaren van de KNMT is tegemoetgekomen. Maar hij houdt een essentieel bezwaar: “Dit experiment gaat niet oplossen dat er veel te weinig tandartsen zijn en worden opgeleid. Die lacune dichten met behulp van de mondhygiënisten blijft een heel slecht idee. We hebben juist behoefte aan professionals met kennis en bekwaamheid over het hele pakket. Laat ik het eens zo zeggen: als je in een dorp het probleem hebt dat er geen supermarkt is, los je dat toch niet op door de lokale bakker ineens ook bietjes te laten verkopen? Natuurlijk kun je de bakker veel meer laten verkopen, maar dan is het geen bakker meer maar een supermarkt.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Latest Issues
E-paper

DT Netherlands No. 7, 2020

Open PDF Open E-paper All E-papers

© 2020 - All rights reserved - Dental Tribune International