Kunt u, vanuit uw dertig jaar ervaring en expertise, schetsen hoe onze kennis over gebitsslijtage er voorstaat en op welke manier dit inzicht zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld?
In de afgelopen tientallen jaren is onze kijk op gebitsslijtage sterk veranderd. Hoewel het lijkt alsof matige tot ernstige slijtage vaker voorkomt, moeten we die conclusie voorzichtig benaderen. Wat vooral is toegenomen, is het bewustzijn bij tandheelkundige professionals. Tandartsen herkennen tegenwoordig veel beter de vroege signalen en begrijpen de mogelijke gevolgen, terwijl slijtage vroeger vaak pas aandacht kreeg wanneer het al een groot probleem was.
Ook de behandelstrategie heeft een duidelijke evolutie doorgemaakt. Waar vroeger invasieve oplossingen — zoals volledige kronen, zelfs bij jonge patiënten — de norm waren, weten we nu dankzij onderzoek en klinische ervaring dat minimaal invasieve technieken, met name composietrestauraties, in veel gevallen net zo succesvol kunnen zijn. Deze verschuiving sluit aan bij een bredere trend richting pragmatische, patiëntgerichte zorg die de natuurlijke tandstructuur zoveel mogelijk behoudt en beter aansluit op de behoeften van jongere generaties.
Wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken van gebitsslijtage?
Vijftien jaar geleden geloofde ik dat mechanische factoren, zoals knarsen, klemmen of bijten op voorwerpen, de belangrijkste oorzaken van tandslijtage waren. En bij preventie richtten we ons ook vooral op deze factoren, vaak door nachtbeugels voor te schrijven. Maar na verloop van tijd, en vooral dankzij de gegevens uit onze langdurige patiëntenopvolging binnen het Radboud Tooth Wear Project, is duidelijk geworden dat chemische factoren een veel grotere rol spelen dan we aanvankelijk dachten.
Gebitsslijtage ontstaat door een combinatie van mechanische en chemische processen, die zowel interne als externe oorzaken kunnen hebben. Bij de mechanische factoren gaat het intern bijvoorbeeld om klemmen en knarsen, terwijl ook externe gedragingen zoals nagelbijten of op pennen kauwen een rol kunnen spelen. Aan de chemische kant zijn interne oorzaken reflux of frequent braken, terwijl externe invloeden vooral komen van zure voedingsmiddelen en dranken.
Wat we nu begrijpen is dat mechanische krachten alleen zelden ernstige slijtage veroorzaken. Blootstelling aan zuur—zowel van binnenuit als van buitenaf—maakt het tandoppervlak weker, waardoor het veel gevoeliger wordt voor mechanische slijtage. Dus in de meeste gevallen is zuur een noodzakelijk onderdeel van het slijtageproces. De combinatie van chemische verweking en mechanische stress leidt tot de patronen die we klinisch waarnemen.
Zijn patiënten zich over het algemeen bewust van hun gebitsslijtage, of is het meestal de tandarts die het herkent en communiceert?
Over het algemeen zijn de meeste patiënten zich niet erg bewust van hun gebitsslijtage. In onze ervaring worden velen door hun tandarts naar onze kliniek doorverwezen. Patiënten zeggen vaak dat ze eigenlijk niet weten waarom; ze kregen gewoon te horen dat ze moesten komen. Dit laat zien dat de vraag naar behandeling vaak niet van de patiënt komt, maar vanuit de observatie van de tandarts.
Dat gezegd hebbende merken we wel dat, zodra de slijtage echt ver gevorderd raakt of het uiterlijk begint te veranderen – denk aan verkleuringen of duidelijk zichtbare beschadigingen – sommige patiënten zich wel zorgen beginnen maken. Gevoeligheid kan ook een trigger zijn, maar interessant genoeg is de ernst van de slijtage niet altijd gekoppeld aan pijn. Sterker nog, patiënten met minder slijtage rapporteren soms meer pijn, vooral wanneer er sprake is van zuurerosie en dentinetubuli blootgesteld zijn.
Uiteindelijk is een van de belangrijkste taken van de tandarts het creëren van bewustwording. Het begint met het herkennen van de tekenen van slijtage en het vervolgens uitleggen aan de patiënt: wat ze zien, wat het kan betekenen en wat het kan veroorzaken. Zonder dat bewustzijn zullen patiënten waarschijnlijk de noodzaak van monitoring of behandeling niet volledig begrijpen of accepteren en zullen ze minder geneigd zijn mee te werken. Dus onderwijs en communicatie, zowel in de bachelor- als tijdens de masteropleiding, zijn essentieel.
To post a reply please login or register