Search Dental Tribune

Column Erik Ranzijn: Oogarts

di. 27 januari 2026

Bewaar

Hannah had een afspraak bij de oogarts in het ziekenhuis. Ik begeleidde haar omdat ze druppeltjes in haar ogen zou krijgen die haar gezichtsvermogen gedurende enige tijd zouden beperken en daarom na het onderzoek geen auto meer mocht rijden. Gepokt en gemazeld door eerdere ziekenhuisbezoeken had ik me voorbereid door mijn e-reader mee te nemen. Hoelang ik ook zou moeten wachten op de terugkeer van mijn echtgenote uit de behandelkamer, ik zou me wel vermaken.

Na een korte wachttijd kwam een man met een enorme witte pleister over zijn linkeroog de kamer uit en werd Hannah door de assistente binnen geroepen. Een man en een vrouw kwamen gearmd de wachtkamer binnen. Ze waren beiden winters gekleed, wat gepast was, omdat buiten de sneeuw het land in zijn greep had. Hoewel ze al een groot deel van het ziekenhuis doorkruist hadden, had de vrouw nog steeds een wollen muts met een grote bol op haar hoofd en handschoenen aan. ‟Ga hier maar zitten, we zijn mooi op tijd,” zei de man, die zelf bleef staan toen de vrouw ging zitten. ‟Ik ga effe naar de kantine saucijzenbroodjes en koffie halen. Nergens heen gaan als ik nog niet terug ben.” En weg was hij. Ik las een paar bladzijden in mijn boek en de vrouw keek gelaten voor zich uit en leek mij niet op te merken. Die is hier niet voor niets, dacht ik nog.

Hannah kwam weer naar buiten en haar ogen waren vochtig en lichtgeel gekleurd. Ze moest zich even oriënteren en keek in de richting van de vrouw die haar muts afnam en zwaaide. ‟Hé hallo, wat leuk dat ik jou hier tegenkom!” Ik had de vrouw niet herkend, maar dat betekende natuurlijk niet dat Hannah haar ook niet kende. Toch meende ik een lichte verwarring in haar ogen te zien, die niet per se het gevolg was van de interventie door de oogarts. Hannah ging dichter bij de vrouw staan. ‟Heb je nog steeds een schildpad?” vroeg de vrouw, die nu ook haar handschoenen had uitgetrokken. Ik weet dat Hannah als kind een schildpad had die baantjes trok in het ligbad, maar dat feit na al die jaren als eerste ter sprake brengen was toch wonderlijk. ‟Nee, ik heb een hond.” Hannah keek mij even aan of ik uitkomst of redding kon bieden. Ze herkende de vrouw niet, en probeerde dit niet te laten merken. ‟En woon je nog steeds in de Tweede van der Helststraat?” Dit was het ultieme bewijs dat er sprake was van persoonsverwisseling, want daar hebben we nooit gewoond. ‟Je schilderde toch zo graag,” herinnerde de vrouw zich. ‟Doe je dat nog?” In de afgelopen veertig jaar heb ik Hannah nog nooit zien schilderen. ‟Toen je naar buiten kwam, dacht ik meteen: daar heb je Lodi. Grappig. Je bent geen steek veranderd. Ik ben hier samen met mijn man. Je weet wel, Herman. Ik zie namelijk erg slecht.” Je hoefde geen oogarts te zijn voor die diagnose.

To post a reply please login or register
advertisement