“Nederlandse tandarts vaak onbewust bekwaam in infectiepreventie”

Search Dental Tribune

“Nederlandse tandarts vaak onbewust bekwaam in infectiepreventie”

E-Newsletter

The latest news in dentistry free of charge.

  • This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Dr. Hans de Soet (microbioloog, ACTA) en Teun Rietmeijer (gepensioneerd tandarts): “Infectiepreventie is onderdeel van je dagelijkse werk.” (foto: Merel Waagmeester)
Marieke Epping

Marieke Epping

di. 13 september 2016

save

Het zal geen tandarts zijn ontgaan: de herziening van de richtlijn infectiepreventie – ook wel WIP-richtlijn genoemd – is begin dit jaar gepresenteerd. De grote media-aandacht en de honderd extra pagina’s vergeleken met de vorige richtlijn doen vermoeden dat de herziening de dagelijkse praktijk flink zal veranderen. Dental Tribune ging langs bij twee leden van de Werkgroep Infectiepreventie Tandheelkunde, voorzitter Teun Rietmeijer en werkgroeplid dr. Hans de Soet, die meewerkten aan de herziening. Er ontstond een even opgewekt als geëngageerd gesprek. Verdient infectiepreventie wederom een plek bovenaan de agenda van de tandarts?

Wat zijn de grootste veranderingen ten opzichte van de richtlijn van 2007?
Teun Rietmeijer (TR): Er zijn twee opvallende veranderingen, waarbij ‘het gevaar van buiten komt’. Daarmee bedoel ik dat die veranderingen niet vanuit de tandheelkunde komen, maar een gevolg zijn van algemene wetgeving. Allereerst is er het recap-verbod: in 2012 is op Europees niveau vastgesteld dat recappen van naalden en andere scherpe voorwerpen niet langer is toegestaan voor werknemers in de tandartspraktijk. Deze Europese ARBO-regel is nu in de richtlijn verwerkt. Ten tweede is de richtlijn uitgebreid op het gebied van waterkwaliteit, zodat conform de Drinkwaterwet gewerkt wordt.

Hans de Soet (HS): Ik begrijp dat tandartsen denken dat er allerlei nieuwe regels zijn omdat de richtlijn is herzien, maar feitelijk lagen deze regels er al. Recappen was al verboden volgens de ARBO-wetgeving, en de Drinkwaterwet is al in 2011 ingegaan. Het lijkt allemaal strenger omdat we het in de richtlijn hebben verankerd, maar ons doel is juist dat de wetgeving makkelijker na te leven is voor de tandarts. We hebben geprobeerd het in de richtlijn op een praktisch toepasbare manier op te schrijven.

TR: In een notendop geldt: tandartsen die de richtlijn uit 2007 goed hebben geïmplementeerd in hun praktijk, hoeven alleen op het gebied van waterkwaliteit enkele extra stappen te zetten.

Zoals het unitwater regelmatig testen op Legionella?
TR: Dat staat er absoluut niet in! Er zijn veel bedrijven die nu met die boodschap de markt benaderen, maar het klopt niet helemaal. Je moet controleren dat het aantal aerobe bacteriën in het unitwater onder een bepaalde waarde blijft. Als die grens niet wordt overschreden, hoef je niet te controleren op legionella.

HS: In de Drinkwaterwet staat wél de verplichting om te controleren op legionella. Voor de tandarts hebben we een getrapte controle uitgewerkt waarbij eerst in een simpele test alleen aerobe waterbacteriën in het unitwater gemeten worden. Blijft dat aantal onder de gestelde grens van honderd kolonievormende eenheden, dan is de kans dat er legionellabacteriën tussen zitten én de patiënt daar een infectie mee oploopt, dusdanig klein dat aparte controle op legionella niet nodig is. Bovendien heeft enkel op legionella testen niet veel zin: er zijn ook veel Pseudomonas-soorten die graag in het water van tandheelkundige units vertoeven. Bij de meeste Nederlanders die aan een bacteriële longontsteking overlijden, is dit niet veroorzaakt door legionella. Zorg dat het unitwater van drinkwaterkwaliteit is, dan kun je eenvoudig op bacteriën testen en heb je geen dure legionella-testbedrijven nodig.

Is het infectierisico die tamtam wel waard? Er zijn maar weinig gevallen beschreven van patiënten die iets opliepen bij de tandarts…
HS: Dat klopt, er is eigenlijk maar één geval heel duidelijk beschreven. In 2011 liep een vrouw van 82 jaar bij haar tandarts een legionella-infectie op, waaraan zij overleed. Dat is natuurlijk heel weinig. Bovendien heeft die tandarts in die periode natuurlijk honderden andere patiënten behandeld en die hebben geen infectie opgelopen. Dan zou je kunnen concluderen dat het risico om iets op te lopen zo laag is, dat al die strenge maatregelen overbodig zijn. Maar realiseer je dat de bevolking steeds ouder wordt, en ouderen zijn gevoeliger voor infecties. Ook komen deze ouderen steeds meer bij de tandarts, omdat men langer (een deel van) de eigen dentitie houdt. Daarnaast zien we steeds meer mensen die het uiterste van hun lichaam vragen door extreem veel te sporten en daardoor een verminderde afweer hebben. Ook doordat we met de medische wetenschap meer kunnen – denk aan mensen met een leukemie, die levenslang immunosuppressiva moeten gebruiken – krijgen we steeds meer patiënten die immunologisch zwakker zijn. De risicopopulatie groeit. Deze patiënten zijn de norm, daar moet je je preventieve maatregelen op afstemmen. Daarnaast is het nog nooit onderzoek gedaan naar hoeveel mensen ziek worden na een tandartsbezoek, dus we weten simpelweg niet precies hoe groot het risico is.

De genoemde infectie vond plaats in Italië. Hoe doet de Nederlandse tandarts het op het gebied van infectiepreventie?
HS: We doen het heel goed, maar ik denk dat wij in Nederland in veel gevallen onbewust bekwaam zijn.

TR: Dat heeft te maken met het beeld dat we hier hebben gecreëerd van de tandheelkunde. Ga je naar een showroom of voorbeeldpraktijk, dan ziet het er strak, opgeruimd, licht en clean uit. In de Verenigde Staten is dat beeld heel anders, daar is een tandarts een autoritair figuur die zijn patiënten behandelt met een stropdas om en een witte jas met lange mouwen aan, en zijn praktijk is een statig gebouw met kamerbreed tapijt. Als ik daar foto’s van laat zien, denken mensen in Nederland dat ik een grap maak, maar daar gaat het echt zo! Hier vinden we dat een tandarts een werkblouse of -shirt met korte mouwen moet dragen, de praktijk is wit en de vloeren zijn glad ‘omdat het er zo uitziet bij de tandarts’. Dat ga je nadoen en onbewust heeft dat een heel gunstig effect op het infectierisico. Toch zijn in Nederland nog grote kwaliteitstappen te nemen in de waterkwaliteit, handhygiëne, scheiding vuil en schoon en desinfectieprocessen. Daarin zijn sommigen nog onvoldoende bekwaam.

Wat zijn de meest gemaakte fouten, bewust of onbewust, die u in tandartspraktijken tegenkomt?
TR: Ik kom vaak in praktijken die door de inspectie zijn gesloten en help dan de tandarts-ondernemer alles weer op de rit te krijgen. Daar zie ik vaak onwetendheid: mensen zijn niet op de hoogte van wat er precies in de praktijk staat of hoe het gebeurt. Zo mag er geen boiler in de unit zitten. Men denkt er ook geen te hebben, maar dan doe ik het unitklepje open en zit ‘ie er toch! Er wordt vaak vertrouwd op de industrie voor dit soort zaken, die echter zelf ook niet altijd op de hoogte is. Je moet echt zelf elk detail kennen.

HS: Ik zie vaak dat het neus-mondmasker in de hals wordt gedragen. Dat kan niet: je hebt hem op je mond of je doet ‘m af. In de hals komen tijdens de behandeling veel bacteriën terecht. Dat is op zich niet erg, maar als je het masker afdoet en daar hangt, om het vervolgens weer op te doen, ben je ziekteverwekkers aan het verspreiden. Eerst naar jezelf, en wanneer het masker vochtig is geworden ook door het masker heen naar de patiënt. Men denkt nu eenmaal met het kapje voor niet goed verstaanbaar te zijn voor de patiënt. In het tv-programma Gênante Tanden komt de tandarts in beeld met het mondneusmasker in de hals. Zonde dat zo een verkeerd voorbeeld wordt gegeven.

Ook wordt de veiligheidsbril regelmatig op het hoofd in het haar gezet, en vervolgens teruggezet op de neus. Nu hebben Teun en ik zelf niet veel haar meer dat met de binnenkant van die bril in contact kan komen (lacht), maar het hoort natuurlijk niet! Als je dezelfde bril weer voor je ogen zet, veeg je zo met je wimpers de bacteriën en virussen van al je eerdere patiënten die dag in je ogen. Net zoals een hand krijgen van de tandarts met een handschoen aan: het komt echt voor. Vaak weten tandartsen niet waarom het belangrijk is dat ze dit gedrag vermijden, daarom gebeurt het. Als je de achterliggende reden kent, is het makkelijker juist te handelen. Daarnaast kun je dan beter bepalen of je van de richtlijn af moet wijken omdat de situatie daarom vraagt. Dat mag ook: bij wet is vastgelegd dat je met een gegronde reden mag afwijken van de richtlijn. Maar dan moet je wel weten waar je het over hebt.

Behalve de concrete voorschriften dienen dus ook de grondslagen erachter aandacht te krijgen?
TR: Zeker. De vorige richtlijn was 21 pagina’s en daar stond alles rechttoe-rechtaan in. Nu is de inleiding, waarin alle regels staan, 10 pagina’s. Op de volgende ruim honderd pagina’s staat uitgelegd wat de redenatie is achter die vastgestelde regels. Het ‘waarom’ is minstens zo belangrijk als het ‘hoe’ van infectiepreventie.

Een goede infectiepreventie in een praktijk is veel werk. Kan een tandarts dat uitbesteden aan de assistent(en)?
TR: Nee, de tandarts moet het overzicht hebben en het gehele beleid in de praktijk bepalen. Natuurlijk kunnen vervolgens deeltaken door de assistenten worden uitgevoerd. Veel uitvoerende taken moeten dagelijks door hen gedaan worden. Daarom is het belangrijk nascholing met het gehele team te volgen. Als de tandarts een cursus volgt en die informatie doorgeeft aan de rest, gaat er hoe dan ook informatie verloren.

HS: Ook voor de uitvoering van deeltaken is het belangrijk dat assistenten weten waarom het zo moet gebeuren. Zo moet werkkleding na een dag dragen gewassen worden op 60 graden. Ik heb assistenten gehoord die vertelden ‘dat op het wasmiddel staat dat het ook op 30 graden schoon wordt’. Als men weet dat die 60 graden nodig is om micro-organismen te doden en dat dat op 30 of 40 graden niet gebeurt, dan wordt een dergelijke vergissing niet gemaakt.

Wat is het belangrijkste dat tandartsen zich moeten realiseren over infectiepreventie in de praktijk?
TR: Eigenlijk het laatste deel van het woord: preventie. De grootste ontwikkeling die in de tandheelkunde gemaakt moet worden, is het overstappen naar preventief denken. Het is net als bij cariës: we weten wat we moeten doen om het te voorkomen, het is een vermijdbare aandoening. Toch stagneert het aantal cariësgevallen. Je behandelt cariës niet door te boren, dan ben je eigenlijk al te laat. Hetzelfde geldt voor infecties, voor prikaccidenten: allemaal onnodig. Als je een goed protocol hebt, is het vermijdbaar. Een tandarts moet willen voorkomen dat er iets met zijn patiënt gebeurt, of dat nu cariës ontwikkelen is of een infectie oplopen in de praktijk. Preventie, dat is de basis. Het is een integraal onderdeel van je vak. (lachend) Hoe luidt die Latijnse spreuk ook al weer? ‘En voorts ben ik van mening dat iedereen de richtlijn infectiepreventie moet lezen!’

Het volledige interview met Teun Rietmeijer en Hans de Soet verschijnt in de septembereditie van Dental Tribune Netherlands Edition. Deze verschijnt op 20 september 2016.

One thought on ““Nederlandse tandarts vaak onbewust bekwaam in infectiepreventie”

  1. Hans Everaars says:

    ik wil graag het volledige interview lezen van Teun Rietmeijer en Hans deSoet. Dit stond in het Dental Tribune Netherlands Edition van 20 september 2016. Kunt u mij dat doen toekomen?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

advertisement
advertisement