Search Dental Tribune

Congres Gebitsslijtage 2026: van diagnose tot behandelstrategie

zo. 28 juni 2026

Bewaar

Op 10 april vond in het congresgebouw van RAI Amsterdam het congres Gebitsslijtage 2026 plaats. Met zo’n vijfhonderd bezoekers was de congreszaal goed gevuld. Een groot aantal onderwerpen passeerde de revue, deskundig en onderhoudend besproken door zes specialisten in het vakgebied. Organiserend Bureau Kalker had de touwtjes uitstekend in handen, met onder meer een QR-code waarmee de toehoorders vragen aan de sprekers konden richten, die na het congres digitaal – en royaal – van antwoorden werden voorzien.

De aftrap werd verzorgd door dr. Peter Wetselaar, tandarts-gnatoloog en tandarts-slaapgeneeskundige, die in 2016 promoveerde op het ‘Tooth Wear Evaluation System’ (TWES). Hij ging kort in op de geschiedenis van de diagnostiek van gebitsslijtage, waarin de ontwikkeling van dit TWES tussen 2004 en 2020 een belangrijke rol speelde, uitmondend in de ook internationaal erkende DC-TW 2026 (Diagnostic Criteria for Tooth Wear). Parallel daaraan kwam in 2025 de richtlijn Gebitsslijtage van blijvende elementen uit van het KIMO, waarin de screening, monitoring, preventieve maatregelen en indicatie voor restauratieve behandeling aan de orde komen. Het is deze KIMO-richtlijn waar Wetselaar vooral aandacht voor vroeg.

Multifactorieel
Gebitsslijtage wordt in de KIMO-richtlijn van een precieze definitie voorzien: ‘Gebitsslijtage = een multifactorieel (chemisch-mechanisch) proces, dat leidt tot cumulatief verlies van de harde gebitsweefsels (glazuur, dentine, cement) en niet het gevolg is van cariës, resorptie of een ongeval’.
Dit multifactoriële aspect van gebitsslijtage werd op deze congresdag door alle sprekers sterk benadrukt. Mechanische en chemische factoren, zowel van binnenuit als van buitenaf, zijn geen losse entiteiten, maar komen gelijktijdig voor en beïnvloeden elkaar. Dat betekent ook dat terughoudendheid geboden is waar het gaat om het vaststellen van de etiologie.
Wetselaar legde uit hoe een TWES-screening werkt: er wordt gekwantificeerd per sextant. Door middel van cijfers bepaal je de ernst van de slijtage. Dat is om drie redenen van belang: je monitort de gebitssituatie, je kunt – bij herhaling van de screening – de snelheid van het slijtageproces vaststellen en je spreekt als mondprofessionals dezelfde taal (vergelijkbaar met de DPSI – inmiddels PPS). Dit screenen van blijvende elementen kan vanaf zes jaar. Aanbevolen wordt het om de twee à drie jaar te herhalen, of vaker wanneer je bijvoorbeeld bij patiënten onder de 25 een duidelijk ‘niet-pluis’ gevoel hebt. De TWES-functionaliteit is inmiddels geïmplementeerd in Exquise en Oase.

Vragenlijst
Vanwege het multifactoriële karakter van gebitsslijtage is het afwerken van een vragenlijst een belangrijk element van de diagnostiek. Dit te meer omdat patiënten lang niet altijd last of pijn hebben en vaak niet zelf met een hulpvraag komen. Bevraagd worden de algemene gezondheid, chemische factoren (voeding, maagzuur, reflux, eetstoornis) en mechanische factoren (bruxisme etc.) en droge-mondproblematiek. Eventueel kan de tandarts ook zelf speekselonderzoek doen.
Tot besluit wees Wetselaar op gebitsslijtage als een natuurlijk proces. Dat maakt het van belang om onderscheid te maken tussen fysiologische en pathologische slijtage. Bij dat laatste spelen onder meer slijtagegraad en leeftijd een rol. Een veel gehanteerde omschrijving uit de Europese richtlijn zegt dat slijtage pathologisch is als het gaat om ‘voortschrijdende gebitsslijtage die pijn, ongemak, disfunctie, of verslechtering van het esthetisch uiterlijk veroorzaakt, en niet in verhouding tot de leeftijd van de patiënt staat, en indien onbehandeld, aanleiding zal geven tot complicaties van toenemende complexiteit.’ Wetselaar sloot af met het grote belang dat de KIMO-richtlijn hecht aan de preventieve functie van tijdige slijtagesignalering. Hij gaf vervolgens als moderator van het congres het stokje door aan prof. dr. Bas Loomans.

Afwachten of aanpakken?
Loomans is initiator van het Nijmegen Tooth Wear Project, dat vanaf 2010 186 patiënten – van wie 124 restauratief behandeld zijn - intensief gevolgd heeft. Dat heeft inmiddels een ruime schat aan data opgeleverd. Wat betreft de etiologie van gebitsslijtage past mondprofessionals een bescheidenheid die ze niet altijd hebben volgens Loomans: denken te weten wat de oorzaken zijn is iets heel anders dan weten wat de echte oorzaken zijn. Als hij beelden laat zien van ernstige gebitsslijtage denkt het merendeel van de zaal aan mechanische oorzaken. Inmiddels is duidelijk dat chemische factoren noodzakelijk meespelen en mogelijk dominanter zijn in het slijtageproces: chemische factoren zullen in ieder geval de mechanische slijtage doen versnellen.
Monitoring van slijtage is van groot belang, maar eenvoudige generalisaties over het verloop zijn onmogelijk, betoogde Loomans. De progressie is niet alleen bij iedereen verschillend, maar is ook per persoon per leeftijdsfase anders en laat zelfs binnen één mond verschillen zien. Het is dan ook niet alleen de progressie die aangeeft of er restauratief behandeld moet worden. Loomans wees meermalen op de beschikbare stroomschema’s voor de diagnostiek en de te zetten vervolgstappen bij slijtage.

GORD
Bij de invloed van chemische processen spelen voedingsgewoonten van patiënten een duidelijke rol en ook eetstoornissen (anorexia, boulimia). En daarnaast niet alleen wat, maar meer nog hoe er geconsumeerd wordt (lang zure drankjes door de mond spoelen!). Bovendien is er steeds meer oog voor de relatie tussen slijtage en reflux, waarbij maagzuur in de slokdarm komt en onvoldoende gebufferd wordt door het speeksel. De tandarts kan de patiënten wijzen op (slechte) gewoontes. Bij verschijnselen die wijzen op reflux (een brandend gevoel op de borst, keelpijn, halitose) is een verwijzing naar de huisarts aangewezen. Ook tandpasta’s met tinfluoride en suikervrije kauwgom kunnen helpen. Naast deze chemische factoren moet ook de invloed van mechanische gewoontes zoals kauwen op pennen niet onderschat worden, liet Loomans zien.
Enkele conclusies van zijn betoog:
- geef prioriteit aan het diagnosticeren van de oorzaak van de slijtage;
- start bij patiënten met ernstige slijtage, maar zonder (functionele of esthetische) klachten, met monitoren;
- niet alle gevallen van ernstige slijtage vereisen restauratieve behandeling;
- restauratieve behandeling moet minimaal invasief zijn, volgens een dynamisch restauratief concept; - de juiste indicatie is belangrijker dan de te kiezen behandeling.

Materiaal overschat
Ook dr. Luuk Crins, in 2024 in Nijmegen gepromoveerd op minimaal invasieve behandeling van gebitsslijtage, benadrukt in zijn proefschrift de rol van chemische factoren in gebitsslijtage. Een van de betooglijnen in zijn lezing was dat het belang van de materiaalkeuze bij de behandeling nogal eens wordt overschat door tandartsen. Alle onderzochte materialen hebben een jaarlijks faalpercentage van onder de 2%. Op het Radboudumc werd bovendien data verzameld van 134.194 restauraties bij tien grote algemene praktijken in ons land. De mediaan van de ‘overleving’ van de restauratie lag op niet minder dan 14 jaar. Voor verreweg de meeste restauraties werd cariës als diagnose gesteld, vier keer zo vaak als fracturen en circa zeven keer zo vaak als gebitsslijtage. Het faalpercentage lag hier op 3 tot 5%. Cariës en parafuncties (bruxisme) zijn de belangrijkste beïnvloeders van de levensduur van restauraties.

Dikkere zolen
Crins toonde een groot aantal voorbeelden van chemische en mechanische slijtage. Hij adviseert om patiënten soms ook te confronteren met foto’s en/of scans. Zo komen ze erachter dat zij zelf de ‘slopers’ van hun gebit zijn. Ook liet hij veel voorbeelden van directe composietrestauraties zien, inclusief het pleidooi om voor een dikkere beetverhoging te kiezen, want “dikkere zolen lopen langer”. In de vergelijking tussen direct composiet en indirect keramiek signaleert Crins dat het verschil in overleving niet zo heel duidelijk is. Indirect is meer invasief, met minder interventies. Direct is minder invasief, met meer interventies, goedkoper en makkelijker te repareren. Samenvattend volgde zijn pleidooi dat van zijn leermeester Loomans: restauratieve behandeling moet zo conservatief mogelijk zijn, met minimaal invasieve behandelstrategieën, volgens een dynamisch restauratief concept.

Illustratief beeldmateriaal
Hierna volgden twee lezingen die vooral ingingen op specifieke restauratietechnieken. Voor de aanwezigen in de zaal boeiend en uitstekend te volgen, dankzij helder illustratief beeldmateriaal en dito uitleg. Maar minder geschikt voor een korte samenvatting in deze krant.
Dr. Paul de Kok promoveerde bij ACTA  op zijn onderzoek naar restauraties van composiet en glaskeramiek. Hij is NVVRT-erkend restauratief tandarts bij  de Kliniek voor Parodontologie Amsterdam (KvPA), waar hij patiënten met restauratieve en esthetische problemen behandelt. De Kok presenteerde zichzelf als oorspronkelijk een keramiek-aanhanger. Maar door ervaring en een ‘open mind’ is zijn inzicht sterk gegroeid dat het combineren van indirecte en directe restauratietechnieken vaak tot uitstekende resultaten leidt. De Kok pleit dan ook voor een hybride workflow in de aanpak van gebitsslijtage.
Dr. Marco Gresnigt promoveerde in 2012 in Groningen op de klinische en laboratoriumevaluaties van facings. Naast zijn onderwijs- en onderzoeksfuncties op de Rijksuniversiteit Groningen geeft Gresnigt nationaal en internationaal lezingen op het gebied van esthetische, minimaal invasieve en adhesieve tandheelkunde. Voor minimaal invasieve restauraties beveelt Gresnigt composiethars en glaskeramiek aan; zirkonium is daarvoor te invasief. En een waarschuwing: ga bij ernstige gebitsslijtage niet restaureren als de patiënt er niet duidelijk achter staat en meewerkt!

Gemutileerd en versleten
Na vijf lezingen kostte het prof. dr. Marco Cune ter afsluiting weinig moeite om zijn gehoor geboeid te houden. Dat kwam zeker mede omdat hij, na zijn visie op enkele eerder besproken thema’s te hebben gegeven, gebitsslijtage van een andere kant benaderde. Daarmee voegde hij een belangrijk sociaal aspect toe aan deze congresdag. Cune behandelde zijn ervaringen met prothetisch-restauratief herstel in de versleten gemutileerde dentitie. Met een lichte knipoog diagnosticeerde hij de patiënten die hij bij het UMC Groningen in dit kader behandelt met ‘Morbus Dentale Groningse’: “een in de regio Groningen veelvuldig waargenomen orale pathologie, geassocieerd met een hoge prevalentie van gelijktijdig voorkomende tandheelkundige en medische aandoeningen, gekenmerkt door gemutileerde dentities met prognostisch ongunstige en inadequaat gepositioneerde pijlers, doorgaans in de context van beperkte sociaaleconomische middelen.”
Bij deze patiënten geen fancy behandelingen met optimaal esthetisch resultaat – het primaire doel is hier functiebehoud dan wel -herstel. De tandarts komt hier veel mechanische schade tegen. Vooral bij de bruxisten onder deze patiënten komt een relatief groot aantal breuken voor bij implantaten, van bijvoorbeeld het keramiek, een prothese-element of fixatieschroeven. Bij het oplossen van die problemen moet de tandarts goed anticiperen op de werkzame krachten en daarop ontwerp en positionering afstemmen. Volgens Cune is bruxisme geen contra-indicatie voor implantaten, maar moet wel zeer zorgvuldig gepland worden. Hij liet vervolgens een aantal creatieve oplossingen met partiële plaatprotheses zien, waar patiënten veel functioneel profijt van hebben.

Digitale nazorg
Zoals gezegd: de nazorg voor de deelnemers aan het congres was uitstekend verzorgd. Deelnemers kregen de antwoorden op hun 79 digitaal gestelde vragen thuisgestuurd. Ter afsluiting twee voorbeelden.
Vraag aan Paul de Kok:
“Je gaat digitaal opwassen en vervolgens ga je beginnen aan injection mold techniek. Naast het uit de hand direct composiet is dit een arbeidsintensief proces. Waarom dan niet indirecte composietrestauraties? Je hebt ze toch al ontworpen digitaal.”
Antwoord:
“Ik heb nu niet uitgeweid over de mogelijkheden van indirecte composieten omwille van de tijd. Het nadeel van indirecte composieten zoals Lava ultimate of Vita Enamic, is dat ze minder sterk zijn in geringe diktes dan composiet en flowable composiet. Dit komt zeer waarschijnlijk doordat de hechting van indirecte composieten inferieur is aan directe composieten en de hechting is van cruciaal belang in de breuksterkte.”

Vraag aan Bas Loomans:
“Adviezen of tips m.b.t. communicatie naar huisarts m.b.t. vermoeden reflux? Krijg zelf vaker van patiënt te horen na verwijzing huisarts dat het amper besproken of beoordeeld wordt door de huisarts.”
Antwoord:
“Ik adviseer de huisarts en geef in een brief aan wat ik constateer in de mond, dat er naar mijn idee een link is met maagzuur en stel voor gedurende 1 maand een PPI voor te schrijven. Met verzoek contact op te nemen voor meer informatie. Hiermee geef ik richting, maar ga ik niet op de stoel zitten van de huisarts.”
Waarmee duidelijk is dat bij de aanpak van gebitsslijtage mondprofessionals een verantwoordelijkheid hebben in een grotere zorgomgeving dan hun behandelkamers.

To post a reply please login or register
advertisement
advertisement