Dental Tribune Netherlands

“Samenwerking tussen alle mondzorgorganisaties is belangrijk”

By Imelda van de Wardt
November 26, 2019

In juni 2019 trad tandarts voor orthodontie Peter Lamark aan als voorzitter van de Federatie van Tandheelkundige Wetenschappelijke Verenigingen (FTWV). Hij nam het stokje over van Rob Burgersdijk, die de kar vier jaar trok. Dental Tribune sprak Lamark in het Van der Valk Hotel Amersfoort en vroeg hem naar zijn visie op actuele zaken in de mondzorg.

Als voorzitter van de Vereniging Tandartsen voor Orthodontie (VTvO) was Lamark – samen met veertien andere vertegenwoordigers van wetenschappelijke verenigingen – twee keer per jaar aanwezig bij de algemene ledenvergadering van de FTWV. Toen Burgersdijk hem vroeg om het voorzitterschap over te nemen, twijfelde de tandarts voor orthodontie geen moment. Naar eigen zeggen zal hij geen andere koers varen dan zijn voorganger. “Al zal het moeilijk worden om zijn – namens de FTWV uitgedragen – visie te bewerkstelligen waarin de Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten (NVM) en Organisatie van Nederlandse Tandprothetici (ONT) binnen het KIMO een grotere rol krijgen toebedeeld.” Hier is volgens Lamark geen draagvlak voor onder de beroepsorganisaties. Wel is iedereen het erover eens dat de NVM en ONT betrokken moeten worden bij de richtlijnontwikkeling.

Klinische praktijkrichtlijnen
In 2015 hebben de tandheelkundige wetenschappelijke verenigingen besloten om bestaande statuten te herzien en de krachten te bundelen in een gemeenschappelijke organisatie: de FTWV. Via deze federatie treden de wetenschappelijke verenigingen gezamenlijk naar buiten met als doel het bevorderen van de kwaliteit van de mondzorg. Een van de speerpunten is het floreren van KIMO met de ontwikkeling van klinische richtlijnen. “Weerstand van de beroepsgroep tegen het ontstaan van richtlijnen heeft bijgedragen aan het woelige begin van KIMO,” vertelt Lamark. “Er is in de afgelopen tijd veel gedaan om de reeds ontwikkelde richtlijnen voor alle tandartsen toegankelijker te maken. KIMO is van plan om de komende periode de twaalf voorgestelde richtlijnen af te leveren.”

Door het meewerken aan EBRO-waardige richtlijnen willen de wetenschappelijke verenigingen een bijdrage leveren aan een kwaliteitsimpuls van de mondzorg. “Waar een evidence-based behandeling mogelijk is, moeten we ons daaraan houden. Indien gerechtvaardigd en goed beargumenteerd, mag van een richtlijn afgeweken worden. Dit moet echter wel in het belang van de patiënt zijn,” oppert Lamark.

Smaakverschillen
Ook verplichte deskundigheidsbevordering staat hoog op de agenda. In een eerder interview in de maart-editie van Dental Tribune sprak oud-voorzitter Burgersdijk zijn verbazing uit over het feit dat de wetenschappelijke verenigingen niet bij de onderhandelingen over de invulling van de AMvB worden betrokken. “De FTWV vindt samenwerking binnen de mondzorg tussen alle organisaties belangrijk. Rob heeft gelijk dat hij dit punt hekelde,” stelt Lamark.

Onlangs heeft minister van VWS Bruno Bruins besloten om het wetsvoorstel BIG-II niet in te dienen bij de Tweede Kamer. Aanleiding is de onenigheid over functiedifferentiatie van verpleegkundigen. De invoering van de nieuwe wet, waarin ook de eisen voor herregistratie in het BIG-register voor tandartsen worden uitgebreid, zal hierdoor vertraging oplopen. Eind dit jaar komt de minister met een brief over het vervolgproces om tot een vernieuwde wet te komen. “We moeten zorgen dat de verplichte deskundigheidsbevordering goed geregeld gaat worden. De wetenschappelijke verenigingen hebben een belangrijke taak in het geheel: het organiseren van vakinhoudelijke en gerichte bij- en nascholing.” In dat kader vindt de FTWV het belangrijk om betrokken te worden bij het bepalen van de urennorm en de invulling hiervan.

Eerder dit jaar is er overleg tussen de FTWV en KNMT geweest, waarin de FTWV haar kritische noten heeft geplaatst. “We hebben elkaar allemaal nodig in het tandheelkundige veld, dus de belangen liggen vaak dichterbij elkaar dan we denken. Wel zijn er smaakverschillen te bemerken.” Zo opperde de KNMT om 60% van de urennorm in gelijke delen over drie competenties – inhoud, organisatie en reflectie – te verdelen. De overige uren mogen volgens de beroepsorganisatie vrij besteed worden. De wetenschappelijke verenigingen zijn van mening dat het vakinhoudelijke aandeel de overhand moet hebben. “Dat is immers waar je als tandarts dagelijks mee te maken hebt,” licht Lamark toe. Daarnaast mag de urennorm, waarbij de KNMT tussen de 100 en 120 uur adviseerde, volgens hem omhoog. “De FTWV heeft aangegeven dat zij betrokken moet worden bij de invulling van in ieder geval de vakinhoudelijke uren. De KNMT stond hier niet afwijzend tegenover, en hier zal nader over worden gesproken.”

Onrust
In januari 2019 telde Nederland 595 gedifferentieerde tandartsen van 64 jaar of jonger met een bekend woon- en/of werkadres in Nederland. Dat staat gelijk aan 7% van de gehele beroepsgroep. Uit onderzoek naar de toekomstplannen van onlangs afgestudeerde tandartsen blijkt dat 44% zich in de toekomst mogelijk wil differentiëren. Een tekort aan algemeen practici verwacht Lamark niet. “Een gedifferentieerd tandarts is niet per definitie elke dag van de week alleen met zijn differentiatie bezig.” Hij benadrukt dat veel gedifferentieerde tandartsen regelmatig algemene tandheelkunde uitoefenen. Dat is ook noodzakelijk. “Ben je nog in staat om algemene spoedgevallen te behandelen wanneer je in de dagelijkse praktijk alleen nog maar endodontische behandelingen uitvoert?” Om die reden moeten tandartsen ondanks een eventuele differentiatie kennis over het hele vakgebied hebben.

Wel ziet Lamark – in het kader van het tandartsentekort – het aantal opleidingsplaatsen in Nederland graag toenemen. Binnen de FTWV zijn de meeste leden ervan overtuigd dat het taakherschikkingsexperiment voor een hoop onrust heeft gezorgd. Al benadrukt Lamark dat weerstand vaak een natuurlijke eerste reactie is. “Ik vind dat we het experiment een kans moeten geven. Wanneer echter blijkt dat het een verkeerde keuze van de minister is, moet het experiment stopgezet worden.” Bij veel wetenschappelijke verenigingen, waaronder parodontologen, wordt intensief samengewerkt met mondhygiënisten. “Tot nu toe heb ik geen signalen ontvangen dat het misgaat.”

Toekomstbeeld
Mensen met lage inkomens brengen aanzienlijk minder vaak een bezoek aan de tandarts of mondhygiënist. Volgens Lamark is voorlichting noodzakelijk om de mondzorg toegankelijker te maken. “Wanneer je als kind goede mondzorg hebt genoten, kun je ervan uitgaan dat mensen ook na hun achttiende netjes naar de tandarts blijven gaan.” Lamark prijst het initiatief van de ANT waarbij zorgverzekeraars opgeroepen werden om ouders te informeren over het recht op gratis mondzorg voor minderjarigen. “Ook vroege screenings en voorlichtingen aan ouders door een consultatiebureau kunnen vruchten afwerpen.” Volgens Lamark is een grote rol toebedeeld aan de beroepsorganisaties en Consumentenbond in het voorlichten van de patiënt.

Ondanks de hobbels die het Nederlands tandheelkundelandschap kenmerkt, ziet Lamark het toekomstbeeld rooskleurig tegemoet. “De tandheelkunde blijft een uitdagend en mooi vak waar tandartsen zich graag in verdiepen en blijven verbeteren. Uiteindelijk willen we allemaal kwalitatief goede zorg bieden aan de patiënt.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Latest Issues
E-paper

DT Netherlands No. 10, 2019

Open PDF Open E-paper All E-papers

© 2019 - All rights reserved - Dental Tribune International