Dental Tribune Netherlands

Ach, meneer

(foto: Pixabay/Zdeno Kittler)
By Erik Ranzijn
July 22, 2020

Ik was voor mijn doen ongebruikelijk vroeg op en ging de hond uitlaten. In het park, op een kunstmatige heuvel - want natuurlijke heuvels heb je niet in mijn woonplaats - stond een bankje met uitzicht op een lager gelegen vijver, waarin een eendenechtpaar luid snaterend het verse nageslacht de beginselen van het overleven bijbracht. Ik ging zitten op het bankje om te genieten van de ochtendzon.

Mijn hond sprong rond in het hoge gras aan de walkant. Het leek erop dat ze op kikkerjacht was en volgde hierbij een totaal andere strategie dan de reiger aan de overkant. Ineens werd haar aandacht verlegd naar een aanstormende kleine poedelachtige soortgenoot. Achter de poedel kwam een gekweld ogende man aangesjokt. De donkere wallen rond zijn ogen, de getaande huid en zijn dunne haar verraadden een verleden. Zijn treurige uitstraling was een schril contrast met het blije enthousiasme van zijn huisdier.

“Vindt u het goed als ik hier even ga zitten?” Zonder mijn antwoord af te wachten, dat sowieso bevestigend geweest zou zijn, ging hij zuchtend zitten. Iets luider dan de zucht kwam in de volgende ademtocht de opmaat naar een gesprek: “Hèhè, mensen, ik zit.” Dit was een overduidelijk verzoek om een praatje. Nu ben ik vrij bedreven in kletspraatjes, dus sprak ik de aanmoedigende tekst “Dat klinkt of u er al een hele dag op heeft zitten.”

Zonder me aan te kijken, ik had er net zo goed niet kunnen zijn, begon hij te vertellen. Hij kon best goed leren, maar omdat zijn vader een arbeider was, moest hij ook maar naar de LTS. Na een incident met een leerkracht, waarbij hij in het midden liet wat er precies was gebeurd, kwam hij “te werken” op de machinefabriek waar zijn vader ook werkte, eerst als leerling maar na verloop van tijd was hij eerste machinebankwerker.

Ik vreesde dat mijn vroegertje wel eens lelijk anders zou kunnen uitpakken. Dit verhaal kende geen natuurlijke pauze waarin ik het gesprek kon verlaten. “En toen werd ik voorman. Dat had ik nooit moeten doen. Breek me de bek niet open. Dan komt er zo'n pipo van de directie je zeggen hoe je met je mensen om moet gaan, dat je ze moet zeggen dat ze niet te lang mogen roken of koffiedrinken. Van die dingen. En de druk maar opvoeren, hè. Nooit een dag in de hal geweest, maar wel een grote mond.” Ik wilde instemmend knikken en iets obligaats zeggen als “dat hou je toch,” maar hield me in.

“Een paar jaar terug ging het ineens slecht met het bedrijf en gingen ze bezuinigen. Niet die dikke directie-auto eruit, maar ik eruit. Sindsdien zit ik thuis, me eigen op te vreten. Vorige week ineens kortademig en zo, dus ik naar de dokter. Voor je het weet heb je corona. Maar de dokter heeft me doorgestuurd naar de cabrioloog, voor me hart.”

Hoewel dit ook geen geschikt moment was om hem alleen achter te laten, nam ik afscheid “omdat de plicht roept”. Hij keek me voor het eerst aan en zei, in strijd met zijn eigen verhaal: “Ach meneer, dat hou je toch.”

Erik Ranzijn is psycholoog en oprichter van Roovos Organisatieontwikkeling. Hij traint en begeleidt tandartsen en tandartspraktijken op het gebied van organisatie en professionalisering. Ook is hij voorzitter van de sectie Integrale Tandheelkunde van ACTA. Contact: erik@roovos.nl.

 

Scroll down
advertisement

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Latest Issues
E-paper

DT Netherlands No. 7, 2020

Open PDF Open E-paper All E-papers

© 2020 - All rights reserved - Dental Tribune International